12-04-2015 - Alimentatie

Partneralimentatie van € 4.600,- naar nihil

mr. Corine Waanders

Eerder schreef ik over een van mijn alimentatieprocedures bij het Gerechtshof te Arnhem onder de titel ‘Procederen is als naar het casino gaan’ waarbij ik meneer – ondernemer – bijstond. Inmiddels heeft het Hof uitspraak gedaan en de partneralimentatie op nihil gesteld. Zowel ten aanzien van de behoefte van mevrouw als de draagkracht van meneer slagen de door ons ingestelde grieven.

Verlaging behoefte van € 3.100,-
De vraag of er partneralimentatie vastgesteld dient te worden of niet, begint met de behoefte. Uitsluitend in geval een van de (ex)-echtelieden niet in zijn/haar eigen behoefte kan voorzien, dient bekeken te worden in hoeverre de ander verplicht kan worden om partneralimentatie te betalen.

In eerste aanleg had de rechtbank de behoefte van mevrouw vastgesteld op afgerond € 4.200,- netto per maand. Het Hof heeft daar een kleine € 2.000,- netto vanaf gehaald en vervolgens geoordeeld dat mevrouw grotendeels zelf in haar behoefte kan voorzien met haar eigen inkomen.

Het Hof komt vervolgens tot de conclusie dat een eventuele door meneer te betalen partneralimentatie niet hoger kan zijn dan afgerond € 1.500,- bruto per maand. Dit nu de behoefte van mevrouw simpelweg niet meer was. Een heel verschil dus met de eerder door de rechtbank vastgestelde € 4.600,- bruto per maand!

Geen draagkracht
Vervolgens is de vraag aan de orde of meneer wel draagkracht heeft voor betaling van een partneralimentatie van € 1.500,- bruto per maand. Hoewel de rechtbank nog van oordeel was dat meneer maar liefst € 4.600,- bruto partneralimentatie zou kunnen betalen, is het Hof van oordeel dat meneer helemaal geen partneralimentatie kan betalen.

Het Hof is tot dit oordeel gekomen door – in tegenstelling tot de rechtbank – niet uit te gaan van behaalde bedrijfsresultaten in het verleden, maar van het meest recent behaalde bedrijfsresultaat. Deze was namelijk om duidelijke en verklaarbare redenen structureel lager dan eerder behaalde resultaten. Ook heeft het Hof in volle omvangrekening gehouden met de door de man betaalde rente en aflossingen op schulden die nog voortvloeien uit de huwelijkse periode.

Wat leren we hier van?
De uitspraak van het Hof leert dat het zinvol is om goed stil te staan bij de behoefte. Het is niet vanzelfsprekend dat er altijd behoefte is aan partneralimentatie. En indien daar wel behoefte aan is, dat niet klakkeloos uitgegaan dient te worden van standaarden zoals deHofnorm maar concreet gekeken dient te worden naar de onderhavige situatie.

Ook is in deze uitspraak nogmaals bevestigd dat bij de vaststelling van de draagkracht van een ondernemer niet zondermeer uitgegaan moet worden van het gemiddelde bedrijfsresultaat in de afgelopen jaren. Immers, het komt vaak voor dat om verklaarbare redenen het behaalde bedrijfsresultaat afwijkt van eerdere jaren. Dit was ook in de onderhavige zaak aan de orde. Door uit te gaan van het behaalde bedrijfsresultaatop dat moment – en dus niet van behaalde bedrijfsresultaten in het verleden – wordt voorkomen dat de ondernemer wordt opgezadeld met een veel te hoge betalingsverplichting terwijl hij daar op dat moment geen financiële middelen voor heeft.

Tot slot heeft het Hof wederom bevestigd dat bij de vaststelling van de draagkracht rekening moet worden gehouden met rente- en aflossingsverplichtingen van huwelijkse schulden. Met andere woorden: beide (ex)-echtelieden moeten op de blaren zitten en niet alleen degene die daadwerkelijk de rente- en aflossing betaalt.

De uitspraak van het Hof d.d. 17 maart 2015 is niet gepubliceerd, maar desgewenst op te vragen onder zaaknummer 200.149.919.

Lees meer